16.
Het oude erf
Bij elke boerderij hoorde vroeger een bakoven (‘bakkes’)
die gestookt werd met takkenbossen, in Zuid-Limburgs
dialect sjanse of fakke genoemd.
De overdekte opslagplaats
van
deze takkenbossen was het sjansesjop.
De gestapelde takken vormden een doolhof van gangetjes
en holtes, een geliefde schuilplaats voor diertjes als
wezel, bunzing, hermelijn en egel. Bij strenge vorst was
het ook een toevluchtsoord voor vogels.
Moerhommels, moerwespen en bepaalde vlindersoorten overwinterden
in de stropoppen onder de dakpannen.

Bij
het oude erf hoorde ook een opslagplaats voor boomstobben,
afkomstig van dode of gekapte fruitbomen uit de huisweide.
Ze dienden als brandhout voor de haard en voor de vuurpot
van de voerketel. Meestal bleven deze stobben jarenlang
liggen. Op het vermolmde hout kwamen mossen, korstmossen
en zwammen tot ontwikkeling.
Als de overgang tot humus gevorderd was, ontwikkelde zich een spontane plantengroei
en was het geheel een eldorado voor kleine zoogdieren, amfibieën en insecten.
Op
minder gebruikte plekjes groeiden - en groeien - onkruiden,
de zgn. cultuurvolgers, planten die gedijen, waar de
mens heerst.
|
|
|