Sjloens Meule

Reeds in 1381 zou er een watermolen in Oud-Valkenburg hebben gelegen. In een
oorkonde uit die tijd wordt melding gemaakt dat Arnold Franke Struvers en Johan
van Alden-Valckenborch samen een watermolen op de Geul bezitten. In de Middeleeuwen
werden molens uitsluitend gebouwd door adellijke personen. Deze waren niet alleen
heer over het land, maar ook over de stromende wateren in hun gebied en zelfs
over de wind. In Oud-Valkenburg was er sprake van een tweeherigheid : twee heren
die over hetzelfde gebied het bewind voerden. Zij deelden de zogeheten heerlijke
rechten.
Wie heer was in het gebied, had het recht om op zijn
grondbezit een molen te bouwen en er dus te laten
malen. Alle ingezetenen van zijn gebied waren verplicht
om in die molen hun graan te laten malen : banaal-, ban- of dwangmolen. Dit
werd
gezien als een collectieve plicht van de ingezetenen jegens de heer. Later
is dit in ons spraakgebruik verworden van gewoon
en alledaags tot ordinair (banaliteit,
banaal). Waar de oude watermolen exact gelegen heeft, is niet bekend. In 1558
is er sprake van dat de inwoners van Oud-Valkenburg, Schin op Geul, Strucht
en Sibbe hun graan moeten laten malen in de molen
te Valkenburg (de oude molen in
de Sint Pieterstraat).
In de zestiende eeuw ontstaat er een conflict tussen
de Nederlandse adel en de Spaanse koning, resulterend
in de Tachtigjarige Oorlog (of de Opstand).
De oorlogshandelingen
treffen ook Oud-Valkenburg : in 1575 wordt kasteel Schaloen verwoest. Aanspraken
op het gebied resulteren in 1661 tot een verdeling tussen Spanje en de Verenigde
Republiek der Nederlanden (Partage-Tractaat) : dit heeft ook gevolgen voor
de banaalplichten. Oud-Valkenburg, Strucht en Schin op Geul worden Spaans,
de inwoners
hoeven hun graan niet meer te laten malen in Valkenburg. In het Spaans gebied
kan degene die het hoogste bod doet het recht van banaliteit verwerven. Dat
wordt in 1666 geregeld : de weduwe Hoen van Cartils krijgt het recht van
banaliteit, waarvoor ze een bepaalde som geld betaald
aan de rentmeester van de Spaanse
koning.
Er is dan al sprake van een molen, deze zou dus tussen 1661 en 1666 zijn
gebouwd in opdracht van de Spanjaarden. De molen
was al gauw in handen gekomen van
de familie Hoen van Cartils.

Dat
de ingezetenen niet altijd de voorgeschreven plichten
naleefden, blijkt wel uit een brief die
de pastoor van Schin op Geul in 1730 in opdracht
van
baron
Maximiliaan Hendrick Hoen van Cartils tijdens een mis moest voorlezen.
In het schrijven worden de inwoners van Schin op
Geul en Strucht gesommeerd
hun granen
uitsluitend te malen in de molen van Schaloen, op straffe van een boete
van 25 goudguldens en verbeurdverklaring van waren
en voertuigen. De heer van
Strucht (baron van Hammerstein, bewoner van kasteel Oost) was het niet
eens met de
gang
van zaken, want alleen hij had het recht om personen uit zijn gebied een
straf op te leggen. Dit toont hoe ingewikkeld de bestuurlijke en juridische
invloedssfeer
was in die dagen!
Aan de kant van de kruidentuin zien wij boven in
de gevel een spreuk : proteCtor et reCtor noster
esto DoMIne (heer, wees onze beschermer en geleider)
en
een zuil met daarin het jaartal 1699. De tekst is een chronogram, de
kapitaalletters
staan voor Latijnse cijfers en vormen samen het jaartal 1701. In die
periode zijn de zogeheten economiegebouwen bij het
kasteel voltooid. Zij worden
net als de traliewerken en de dikke muren van de molen wel in verband
gebracht met de
legendarische Bokkenrijdersbende, maar deze kwam pas in de achttiende
eeuw op. In de periode van de molenbouw speelde echter
een onzekere situatie
als
gevolg
van de aspiraties van Engeland en Frankrijk, resulterend in het rampjaar
1672.
Rondtrekkende legers vormden dus een bedreiging voor de ingezeten. De
nasleep van de oorlogstoestand is ook in de achttiende
eeuw nog voelbaar : armoede
en geweld vieren hoogtij. Opvallend zijn gewelddadige overvallen op met
name boerderijen,
meestal door kleine groepjes criminelen gepleegd. De plaatselijke overheid
staat machteloos, maar slaat dan hard toe. Verdachte figuren worden opgepakt
en door
middel van martelingen gedwongen de overvallen te bekennen en meer namen
te noemen. Het waarheidsgehalte van deze onder martelingen verkregen
bekentenissen wordt
thans in twijfel getrokken, vooral omdat er meer mensen bij de overvallen
betrokken
zouden zijn dan in werkelijkheid geschiedde (sneeuwbaleffect: X. Wordt
opgepakt, noemt Y en Z, Y en Z worden opgepakt en gemarteld, noemen A,
B, C en D, etc....).
De Bokkenrijdersbende is voor een groot deel terug te voeren op deze
hetze, in werkelijkheid heeft er waarschijnlijk nooit
een echte grote bende bestaan...
Aan het einde van de achttiende eeuw vallen de Franse
revolutionaire legers binnen. Onder het Franse bewind
worden de oude feodale rechten,
waaronder
het banaalrecht,
afgeschaft. Wel blijft de molen aan de bezitter van kasteel Schaloen
verbonden. In 1807 treedt een nazaat van Hoen van Cartils in het huwelijk
met Ladislas
de Villers Masbourg. Het kasteel en ook de molen komen nu in bezit
van de Belgische adellijke familie de Villers Masbourg.
Belangrijke veranderingen
ondergaat
de
molen onder Marie Alphonse Gustave Edouard de Villers Masbourg, eigenaar
sedert 1892. In 1916 laat hij de stuw in de molentak vernieuwen. Dan
is er
nog sprake
van een dam van hout en steen, deze wordt vervangen door een stuw van
beton en mergelblokken. In 1924 wordt het waterrad vervangen door een
turbine,
een klein
rad van ijzer, omgeven door een ijzeren mantel, het turbinehuis. In
het huis zijn schoepen aangebracht, die verstelbaar
zijn en het horizontaal
liggende
rad al dan niet sneller kunnen laten draaien. In die tijd beschikte
de molen nog
over drie koppels maalstenen.

De molen wordt in 1930 gepacht door Victor Willems.
In de jaren voor de oorlog was er nog sprake van
een grote bedrijvigheid. Er werd rogge,
gerst,
maïs,
tarwe en haver gemalen. Bij de molen bevond zich een visbak, waarmee men vissen
kon verschalken (snoek, forel, voorn, karper en vooral paling!). De visbak raakte
in de zestiger jaren in verval, maar is door het IVN in ere hersteld. In 1954
zegt Victor Willems de pacht van de molen op. De bedrijvigheid is niet meer zo
groot, het derde koppel maalstenen is buiten bedrijf gesteld en verwijderd. Tot
1960 wordt er nog gemalen, maar dan raakt de molen in verval. In 1969 verkoopt
freule de Villers Masbourg in opdracht van haar moeder en zus het kasteel met
de molen en de landerijen aan de gemeente Valkenburg. Het kasteel wordt korte
tijd later weer doorverkocht, maar de molen blijft eigendom van de gemeente.
In 1971 huurt het IVN de molen, met de bedoeling er een verenigingslokaal van
te maken. Vrijwilligers restaureren de molen, die in 1973 kan worden geopend.
Er wordt echter niet meer structureel gemalen. Even nadien wordt ook de tuin
van het kasteel onder handen genomen. Sinds die tijd kan de molen samen met de
kasteeltuin bezichtigd worden, jaarlijks rond begin mei tot eind september. Gemalen
wordt er alleen bij hoge uitzondering. Meer informatie over de geschiedenis van
de molen vindt U in een boekje, dat verkrijgbaar is aan de kassa van de kasteeltuin
Oud-Valkenburg. De molen kan ook door groepen bezocht worden.
Voor
afspraken over groepsrondleidingen kan men terecht
bij
het IVN Valkenburg aan de Geul,
mevrouw Marieke Maessen, tel. 043-6013312.